Vervoer van kinderen
Er is in de wet veel geregeld over het vervoer van kinderen in het verkeer. We hebben de regels voor u op een rij gezet.
De wet:
- Algemeen: in de Wegenverkeerswet staat nadrukkelijk dat je onder alle omstandigheden het andere verkeer niet in gevaar mag brengen. Dat geldt ook voor de inzittenden in de eigen auto.
- Lopend: voetgangers moeten gebruik maken van het trottoir of het voetpad. Voetgangers gebruiken het fietspad of fiets/bromfietspad als er geen trottoir of voetpad is. Is er ook geen fietspad of fiets/bromfietspad, dan moeten voetgangers de wegberm gebruiken of de uiterste zijde van de rijbaan.
- Skaters, skeelers, steppers en rolschaatsers: deze vallen onder de regels van voetgangers en moeten dus op het trottoir. Met het oog op de snelheidsverschillen is hier het algemene artikel dat je het overige verkeer niet in gevaar mag brengen erg belangrijk.
- Per fiets: de fietser moet gebruik maken van het fietspad of fiets-/bromfietspad indien dit aanwezig is en anders moet aan de meest rechter zijde van de weg gefietst worden. Natuurlijk moet de fiets aan de veiligheidseisen voldoen. Fietsers mogen met zijn tweeën naast elkaar fietsen mits zij het overige verkeer niet in gevaar brengen.
- Achterop de fiets of snorfiets: kinderen beneden de acht jaar mogen alleen achterop de fiets vervoerd worden als ze zitten op een doelmatige en veilige zitplaats met voldoende steun voor de rug, handen en voeten. Bij een snorfiets is een helm niet verplicht.
- (Fiets)aanhanger: Vervoer van personen in een aanhanger achter een fiets is toegestaan. Deze aanhangers mogen niet meer dan 1 meter breed zijn en ze moeten voorzien zijn van reflectoren. In een aanhanger achter een bromfiets of auto mogen geen personen worden vervoerd.
- Achterop de bromfiets: ook hier moeten kinderen onder de acht jaar een doelmatige en veilige zitplaats hebben met voldoende steun voor de rug, handen en voeten. Bovendien moeten ook passagiers een goed passende helm dragen, die door middel van een sluiting op deugdelijke wijze op het hoofd is bevestigd. De helm moet zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Vervoer in de laadbak van een (bak)bromfiets of brommobiel mag niet.
- In de auto: De voorschriften voor het gebruik van autogordels en kinderbeveiligingssystemen worden hieronder schematisch weergegeven.
- In de taxi: als er geen kinderbeveiligingsmiddel aanwezig is, moeten kinderen tot 1,35 meter achterin. Kinderen vanaf 3 jaar moeten wel gebruik maken van de gordels, voor zover beschikbaar. Kinderen jonger dan 3 jaar mogen los op de achterbank zitten.
- In de bus: kinderen hoeven geen kinderzitje te gebruiken. Kinderen vanaf 3 jaar moeten wel gebruik maken van de gordels, voor zover beschikbaar. Echter, als de bus staanplaatsen heeft of gebruikt wordt voor openbaar vervoer volgens een dienstregeling binnen de bebouwde kom, hoeven de aanwezige gordels niet gebruikt te worden. Als er geen gordels in de bus aanwezig zijn, mogen alle passagiers, zowel volwassenen als kinderen, los worden vervoerd. Kinderen jonger dan 3 jaar mogen zowel in een bus met gordels als in een bus zonder gordels los worden vervoerd.
- Airbag: kinderen mogen niet in een naar achteren gericht kinderzitje worden vervoerd op een plaats met een airbag ervoor, tenzij de airbag is uitgeschakeld (handmatig of automatisch). Het zitje kan door de airbag met kracht naar achteren gestoten worden, met mogelijk ernstig letsel voor het kind als gevolg. Het is bovendien raadzaam om kinderen tot 12 jaar niet bij een airbag te zetten die ingeschakeld is. Kan het niet anders, zet dan de autostoel zo ver mogelijk naar achteren.
- Laadruimte van auto en aanhanger: Het is verboden personen te vervoeren in de (open of gesloten) laadruimte van een auto, (bak)bromfiets of brommobiel. Ook vervoer van personen in of op een aanhanger achter een auto of bromfiets mag niet.
- Buitenland: de regels voor het gebruik van gordels en kinderzitjes zijn gebaseerd op een Europese Richtlijn. Deze Richtlijn bepaalt dat kinderen tot 1,50 meter in een goedgekeurd en passend kinderzitje moeten zitten, maar landen mogen uitzonderingen (zoals een kleinere lengte) opnemen in de eigen wetgeving. Nederland heeft gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. De Nederlandse uitzonderingen gelden alleen in Nederland. In andere landen kan de wetgeving strenger zijn en deze strengere wetgeving geldt dan ook voor Nederlandse automobilisten. Zo kan het zijn dat in een ander land ook ‘Nederlandse’ kinderen tot 1,50 meter in een kinderzitje moeten zitten.
Meer informatie op www.anwb.nl. Zoek op kinderbeveiligingsmiddel.
In de auto
De basisregel is dat kinderen kleiner dan 1,35 m in een goedgekeurd en passend kinderzitje moeten zitten. Goedgekeurd zijn zitjes met labels ECE R44/03 en R44/04. Passend is: geschikt voor lengte en gewicht van het kind. De voorschriften voor het gebruik van autogordels en kinderbeveiligingssystemen worden hierna schematisch weergegeven. Kinderen vanaf 1,35 m en volwassenen moeten gebruik maken van de veiligheidsgordel.
Voorin de auto
1. Als er gordels aanwezig zijn:
*kinderen van ten minste 1.35 meter en volwassenen
Verplicht gebruik van de beschikbare gordel.
*kinderen korter dan 1.35 meter
Verplicht gebruik van een geschikt en goedgekeurd kinderbeveiligingssysteem.
2. Als er voorin geen gordels aanwezig zijn:
*kinderen van ten minste 1.35 meter en volwassenen
Er hoeft geen gordel gedragen te worden.
*kinderen korter dan 1.35
Mogen niet voorin vervoerd worden.
Achterin de auto
1.
2.
|
Als er gordels aanwezig zijn:
*kinderen van ten minste 1.35 meter en volwassenen
Verplicht gebruik van de beschikbare autogordel.
Per 1 mei 2008 mogen er nooit méér passagiers worden vervoerd dan er gordels in de auto zijn!
*kinderen korter dan 1.35 meter
Verplicht gebruik van een geschikt en goedgekeurd kinderbeveiligheidssysteem.
Uitzondering 1: kinderen van 3 jaar en ouder mogen een autogordel gebruiken in plaats van een kinderbeveiligingssysteem als er op de desbetreffende zitbank al twee kinderzitjes zijn aangebracht en in gebruik zijn, en er geen plaats meer is voor een derde zitje.
Uitzondering 2: kinderen vanaf 3 jaar mogen de autogordel gebruiken bij vervoer door een ander persoon dan de eigen (pleeg)ouder in incidentele gevallen, waarin redelijkerwijze niet verwacht kan worden dat de bestuurder een kinderbeveiligingssysteem bij zich heeft. Het dient hierbij om vervoer over beperkte afstand te gaan, zoals bijvoorbeeld vervoer van een sportteam naar een uitwedstrijd. Het begrip incidenteel moet letterlijk worden genomen. Van incidenteel vervoer is geen sprake meer als bijv. oma elke week de kleinkinderen naar school brengt. Een korte afstand is volgens het ministerie een afstand van maximaal 50 km.
Als er achterin geen gordels aanwezig zijn:
*volwassenen en kinderen van 3 jaar en ouder
Zij mogen los worden vervoerd.
*kinderen tot 3 jaar
Zij mogen niet worden vervoerd. |
Volwassenen (18 jaar of ouder) die korter zijn dan 1,35 meter hoeven geen gebruik te maken van een kinderzitje of een zittingverhoger. Het mág uiteraard wel.